Vrijdag 22 september deelde het programma #Boos op Instagram een post over het wetsvoorstel Wet Regulering Sekswerk (WRS).[1] In de post stelt #Boos dat de WRS de positie van 25.000 sekswerkers zal verslechteren. Het voornaamste doel van de WRS, aldus het wetsvoorstel, is om misstanden in de sekswerkbranche te bestrijden. Daartoe worden verschillende nieuwe maatregelen voorgesteld, zoals de landelijke registratieplicht voor sekswerkers, een verhoging van de minimumleeftijd voor sekswerkers naar 21 jaar en een pooierverbod.[2] Volgens #Boos zou vooral de registratieplicht uit de WRS het stigma op sekswerk vergroten en zo de maatschappelijke positie van sekswerkers verslechteren.[3]

Aanleiding voor de verontwaardigde post van #Boos is de mogelijke niet-controversieel verklaring van het wetsvoorstel WRS.[4] Dat houdt in dat het wetsvoorstel nog behandeld kan worden door het demissionaire kabinet en zelfs mogelijk nog aangenomen kan worden vóór de volgende verkiezingen.[5] #Boos roept volgers op voldoende aandacht te genereren om de WRS alsnog controversieel te laten verklaren en de invoering van de WRS (voorlopig) te voorkomen. Op 4 oktober verscheen ook het standpunt van de Autoriteit Persoonsgegevens over de registratieplicht voor sekswerkers: het registreren van sekswerkers zal kwetsbare sekswerkers juist in een slechtere positie brengen, aldus de privacy-toezichthouder.[6] Volgens de Autoriteit Persoonsgegevens zal de vrees voor het verlies van privacy door registratie er namelijk voor zorgen dat sekswerkers sneller het ongereguleerde sekswerkcircuit zullen opzoeken.[7] #Boos en de Autoriteit Persoonsgegevens stellen dat het wetsvoorstel voorbijgaat aan dergelijke averechtse effecten van de registratieplicht voor sekswerkers. Zij trekken daarom aan de bel.

De WRS is hoofdzakelijk in het leven geroepen om misstanden in de seksbranche – een vorm van mensenhandel – tegen te gaan.[8] Gedwongen sekswerk is een wereldwijd probleem, waar internationale organisaties zoals de VN en de EU op hebben gereageerd door verschillende verdragen in het leven te roepen.[9] Landen over de hele wereld hebben deze verdragen bekrachtigd en zijn nu gebonden aan de verplichtingen tot het bestrijden van mensenhandel, waaronder gedwongen sekswerk.[10] Vrijwillig sekswerk daarentegen, is een legaal beroep in Nederland. Hierdoor heeft Nederland eveneens de verplichting om de rechten en vrijheden van vrijwillig werkende sekswerkers te respecteren en te beschermen. Die verplichtingen kunnen botsen. De in de WRS voorgestelde registratieverplichting voor sekswerkers is hier een voorbeeld van: dit kan botsen met het recht op privacy (art. 10 GW en art. 8 EVRM).[11] De verschillende, soms met elkaar botsende verplichtingen leiden tot een ingewikkelde uitdaging voor de Nederlandse regering: voldoen aan de internationaalrechtelijke verplichtingen om mensenhandel te bestrijden, zonder daartoe maatregelen in te voeren die de rechten en vrijheden van sekswerkers (onevenredig) beperken.

In deze blog beschrijf ik kort het huidige Nederlandse sekswerkbeleid, schets ik het internationale landschap van verplichtingen tot het bestrijden van mensenhandel voor Europese landen en bespreek ik hoe er binnen de context van mensenhandelbestrijding zelden aandacht is voor de rechten van sekswerkers. Hiermee laat ik zien hoe de oproep van #Boos voor meer aandacht voor de rechten van sekswerkers en de kritiek van de Autoriteit Persoonsgegevens passen binnen een bredere internationaal mensenrechtelijke context: de ingewikkelde (dis)balans tussen enerzijds de verplichtingen ter bestrijding van mensenhandel en anderzijds de bescherming van de rechten van sekswerkers.

Sekswerkbeleid en de rechten van sekswerkers in Nederland

In 2000 is het bordeelverbod in Nederland opgeheven.[12] Dit betekent dat bordelen en andere vormen van exploitatie van sekswerk niet langer verboden zijn.[13] De focus van het strafrecht ligt na het opheffen van het bordeelverbod nog enkel op het bestrijden van uitbuiting en niet langer op het bestrijden van exploitatie/souteneurschap. De regering hoopte meer zicht te creëren op de gehele sekswerkbranche en zo misstanden beter te kunnen bestrijden.[14] De handhaving, toezicht en bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het nieuwe sekswerkbeleid is bij de gemeenten neergelegd.

Sinds 2000 wordt in het huidige sekswerkbeleid wordt per gemeente in de APV vastgelegd of en zo ja, onder welke voorwaarden, sekswerk is toegestaan.[15] Per gemeente verschillen deze voorwaarden en ogenschijnlijk ook de doelen en de effecten van deze voorwaarden. Zo stellen sommige gemeenten dusdanig veel of hoge eisen dat het beleid gekwalificeerd kan worden als een ‘nulbeleid’: er worden dan feitelijk geen sekswerkvergunningen uitgegeven.[16] Voorwaarden kunnen ook gericht zijn op ontmoediging: bijvoorbeeld door het vaststellen van hoge leges voor sekswerkers of sekswerkbedrijven.[17] Verder kunnen voorwaarden worden gesteld over onderwerpen als het wel/niet toestaan van thuiswerken, bordelen, toegestane locaties of verplichte check-ups door handhavers.[18] Momenteel geven bijvoorbeeld slechts drie gemeenten vergunningen uit voor thuiswerkende sekswerkers.[19]

De maatschappelijke positie van sekswerkers onder het huidige sekswerkbeleid laat soms te wensen over.[20] De aard van het werk, het stigma op sekswerk en de verwevenheid met het illegale circuit, maken sekswerk een bovengemiddeld kwetsbaar beroep voor misstanden als uitbuiting en machtsmisbruik. Juridisch en sociaal gezien hebben sekswerkers bovendien een zwakkere positie dan de gemiddelde Nederlandse werkende, en ook de arbeidsrechtelijke bescherming is gebrekkig.[21] Verder hebben sekswerkers te maken met verschillende – soms vergaande – regulerende maatregelen in de sekswerkbranche. Die maatregelen, vaak gegoten in vergunningsvoorwaarden, kunnen beperkende effecten hebben op de rechten en vrijheden van sekswerkers.[22] Voor sekswerkers gelden – vanzelfsprekend – dezelfde fundamentele rechten en vrijheden als voor ieder ander mens. Binnen de context van sekswerk en sekswerkbeleid spelen vooral het recht op privacy, het recht op vrije arbeidskeuze, het recht op veilige arbeidsomstandigheden en het recht op arbeidsrechtelijke bescherming (indien er sprake is van een arbeidsovereenkomst) een belangrijke rol. Hoewel een van de doelen van de WRS is om de positie van sekswerkers in de toekomst te verbeteren, verwachten #Boos en de Autoriteit Persoonsgegevens dat de positie van sekswerkers juist zal verslechteren onder de WRS.

Het hoofddoel van de WRS is het bestrijden van misstanden in de sekswerkbranche; oftewel mensenhandel.[23] In de volgende paragraaf schets ik het internationale landschap van anti-mensenhandelverplichtingen om te laten zien hoeveel internationaalrechtelijke verplichtingen er gelden om mensenhandel te bestrijden. Hieruit blijkt dat de Nederlandse focus op het bestrijden van mensenhandel onderdeel is van een grotere, internationale context.

De internationale verplichtingen tot het bestrijden van mensenhandel

Voor landen in Europa zijn de verplichtingen tot het bestrijden van mensenrechten neergelegd in artikel 4 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het VN Protocol inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel (Palermo Protocol),[24] Richtlijn 2004/81/EG,[25] Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel (Verdrag van Warschau)[26] en Richtlijn 2011/36/EU.[27]

In totaal gelden er bijna 200 internationale verplichtingen tot het bestrijden van mensenhandel voor Europese landen.[28] De verplichtingen variëren van tamelijk algemeen tot heel specifiek. Opgedeeld in categorieën, zien de verplichtingen op 1) strafbaarstelling van mensenhandel, 2) preventie van mensenhandel, 3) internationale samenwerking, 4) vervolging van mensenhandel en 5) hulp en ondersteuning aan slachtoffers. Hieronder worden de categorieën kort toegelicht. Zo wordt duidelijk hoe omvangrijk het landschap van internationale verplichtingen daadwerkelijk is.

Wat betreft de eerste categorie, de strafbaarstelling van mensenhandel, berusten de internationale verplichtingen vooral op het Palermo Protocol. Hierin is de eerste wereldwijd geaccepteerde delictsomschrijving van mensenhandel vastgelegd.[29] Deze definitie bevat drie elementen: 1) een strafbare handeling (zoals werven, vervoeren of huisvesten), 2) een dwangmiddel (zoals afpersing, dwang of misleiding), 3) met het oogmerk tot uitbuiting. Alle 181 lidstaten van het Palermo Protocol zijn verplicht deze definitie te hanteren.[30] Verder gelden voor EU-landen ook de verplichtingen uit Richtlijn 2011/36/EU en het Verdrag van Warschau, waarin verplichtingen voor het strafbaar stellen van deelname aan mensenhandel zijn opgenomen, evenals minimumvereisten voor de strafbedreiging en strafverzwarende omstandigheden.[31]

De tweede categorie bevat verplichtingen om mensenhandel te voorkomen en risicofactoren voor slachtofferschap te verminderen. Het gros van de verplichtingen in deze categorie ziet op het onder de aandacht brengen van het probleem mensenhandel, om zo risico’s op slachtofferschap te verminderen.[32] Er worden vooral ‘awareness campagnes’ over mensenhandel voorgeschreven, om het grote publiek bewust te laten worden van mogelijke indicatoren van slachtofferschap van mensenhandel.[33]

De derde categorie ziet op internationale samenwerking om mensenhandel te bestrijden. Deze verplichtingen behandelen onderwerpen als rechtsmachtverdeling, informatiedeling, kwalitatieve en gelijke opleidingen voor handhavers en grenscontroles om slachtoffers van mensenhandel tijdig te identificeren.[34]

De vierde categorie bevat verplichtingen omtrent het vervolgen van mensenhandel. Deze verplichtingen volgen uit artikel 4 EVRM en zijn uitgewerkt in jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Artikel 4 EVRM bevat het verbod op slavernij, waaronder ook het verbod mensenhandel valt.[35] In twee belangrijke zaken heeft het EHRM handen en voeten gegeven aan het verbod op mensenhandel uit artikel 4 EVRM; Siliadin tegen Frankrijk en Rantsev tegen Cyprus.[36] Uit deze twee uitspraken blijkt dat landen positieve verplichtingen hebben mensenhandel te bestrijden en dat dit onder meer inhoudt dat landen een passende vervolging dienen te verzekeren.[37] Hieronder valt ten minste dat 1) vervolging niet afhankelijk mag zijn van medewerking van het slachtoffer of diens familie, 2) vervolging geschikt moet zijn om daders te identificeren en straffen, 3) slachtoffers, voor zover mogelijk, snel uit schadelijke situaties moeten worden gehaald en 4) secundaire victimisatie tijdens een zitting zoveel mogelijk moet worden voorkomen.[38]

De vijfde en laatste categorie is het meest omvangrijk. Deze categorie bevat verplichtingen voor Europese landen om ondersteuning te bieden aan slachtoffers van menshandel. Slachtoffers van mensenhandel hebben op grond van deze verplichtingen bijvoorbeeld recht op veiligheid, recht op juridische hulp voor, tijdens en na een juridische procedure, recht op schadevergoeding, recht op onderdak, recht op (medische en psychische) zorg en recht op privacy.[39] Daarnaast hebben buitenlandse slachtoffers die medewerking willen verlenen aan de vervolging van hun mensenhandelaars, op grond van Richtlijn 2004/81/EG, (onder voorwaarden) ook recht op een tijdelijke verblijfsvergunning. Slachtoffers die bereid zijn te getuigen in een strafproces komen hier bijvoorbeeld voor in aanmerking.

Al met al is er een grote hoeveelheid en grote verscheidenheid aan verplichtingen om mensenhandel te bestrijden. In de volgende paragraaf beschrijf ik in hoeverre er in die verplichtende documenten, of in de totstandkomingsgeschiedenis van die documenten, aandacht is voor de rechten en vrijheden van sekswerkers.

Aandacht voor sekswerkers

Het is duidelijk dat er op internationaal niveau veel aandacht is voor de bestrijding van mensenhandel. In het kader van de zoektocht naar balans tussen die bestrijding en de rechten van sekswerkers, rijst de vraag nu: in hoeverre is er in de verplichtingen of in de totstandkomingsgeschiedenis daarvan ook aandacht voor de rechten en vrijheden van sekswerkers?

Een analyse van de verplichtingen uit het EVRM, het Palermo Protocol, het Verdrag van Warschau, Richtlijn 2004/81/EG en Richtlijn 2011/36/EU laat zien dat in de verplichtingen geen aandacht wordt besteed aan de rechten van sekswerkers, anders dan in de context van slachtofferschap. Zo wordt er in het Verdrag van Warschau wel aandacht besteed aan het recht op privacy van slachtoffers van mensenhandel, maar niet aan het recht op privacy van legaal en vrijwillig werkende sekswerkers.[40]

Een analyse van de totstandkomingsdocumenten van de anti-mensenhandelverplichtingen laat zien dat er in die context wel discussies zijn gevoerd over de verhouding tussen mensenhandel en sekswerk. Dit was tijdens de onderhandelingen over de definitie van mensenhandel in het Palermo Protocol. Uit verhalen van aanwezigen tijdens de onderhandelingen, blijkt dat destijds twee tegengestelde blokken zijn gevormd.[41] Aan de ene kant stond de Human Rights Caucus, een samengesteld blok van mensenrechtenorganisaties, anti-mensenhandellobbyisten en voorvechters voor de rechten van sekswerkers. Dit blok vocht voor een definitie van mensenhandel die verenigbaar zou zijn met sekswerk als legaal en vrijwillig beroep.[42] Aan de andere kant stond de Coalition against Trafficking, samen met de European Women’s Lobby en de International Abolitionist Federation. Deze samenwerking achtte alle vormen van sekswerk per definitie een mensenrechtenschending en vocht voor een definitie van mensenhandel die bij deze visie aansloot.[43] De botsing tussen de twee blokken leidde tot discussies over thema’s als autonomie en consent in de context van sekswerk.[44] Uiteindelijk kwamen deze discussies neer op de – voornamelijk filosofische – vraag: kan sekswerk een vrijwillig beroep zijn? Hoewel dit een zeer wezenlijke vraag is, kwam men door die focus niet toe aan andere belangrijke discussies. Discussies over de rechten en vrijheden voor sekswerkers in de context van legaal sekswerk – zoals het recht op privacy, vrije arbeidskeuze of veilige arbeidsomstandigheden – werden daardoor niet gevoerd. Met als gevolg dat er geen aandacht is voor de effecten van mensenhandelbestrijding op die fundamentele rechten van sekswerkers. 

In de overige totstandkomingsgeschiedenis van de verplichtingen ter bestrijding van mensenhandel is eveneens geen blijk van aandacht voor de effecten van de maatregelen ter bestrijding van mensenhandel op de rechten en vrijheden van sekswerkers.

Conclusie

Het huidige Nederlandse sekswerkbeleid laat zien dat er veel verschillende voorwaarden gelden voor het mogen uitoefenen van sekswerk in Nederland. Die voorwaarden kunnen botsen met de rechten en vrijheden van sekswerkers. Hoewel de WRS het sekswerkbeleid in Nederland zal veranderen, verwachten #Boos en de Autoriteit Persoonsgegevens dat dit averechts zal uitpakken voor de positie van sekswerkers. Dat de Nederlandse regering de strijd tegen mensenhandel lijkt te prioriteren, past bij de internationale context van mensenhandelbestrijding. Een korte blik op het internationale landschap van de verplichtingen om mensenhandel te bestrijden laat zien dat er een veelvoud van verplichtingen bestaat waaraan Europese landen dienen te voldoen. In de verplichtingen en in de totstandkomingsdocumenten van die verplichtingen bestaat bovendien een bijna volledig gebrek aan aandacht voor de rechten van sekswerkers. Zo wordt ruimte gelaten aan lidstaten om de rechten van sekswerkers laag op de agenda te zetten of zelfs helemaal niet mee te wegen. Immers, als de rechten van sekswerkers niet worden besproken in de verplichtingen of de totstandkomingsdocumenten van de verplichtingen, waarom zouden lidstaten de rechten van sekswerkers dan zien als een belangrijke (of überhaupt meewegende) factor?

Ondanks de uitingen van zorg en kritiek op de WRS blijkt er ook in deze Nederlandse wetgeving weinig tot geen aandacht te worden besteed aan de rechten en vrijheden van sekswerkers. Dit past in de bredere, internationale context van de bestrijding van mensenhandel en de rechten en vrijheden van sekswerkers. Voor de verplichtingen om mensenhandel te bestrijden is er ruimschoots aandacht, maar de rechten van sekswerkers blijven zo goed als onbesproken. Al met al is een balans tussen de bestrijding van mensenhandel en de rechten van sekswerkers ver te zoeken – en zonder aandacht voor de rechten van sekswerkers zal die ook niet bereikt worden. #Boos en de Autoriteit Persoonsgegevens lijken nu gelukkig de taak op zich te hebben genomen de rechten van sekswerkers naar de voorgrond te duwen.


[1] BOOS, @boosbnnvara, ‘Wij spraken met twee sekswerkers en een expert over de WRS en wat het invoeren van deze wet voor effecten zal hebben.’, Instagram, 21 september 2023.

[2] Kamerstukken II 2021/22, 35715, nr. 3.

[3] BOOS, @boosbnnvara, ‘Wij spraken met twee sekswerkers en een expert over de WRS en wat het invoeren van deze wet voor effecten zal hebben.’, Instagram, 21 september 2023.

[4] Commissie Justitie en Veiligheid, Besluitenlijst extra procedurevergadering, 7 september 2023, p. 10.

[5] Dit is een mogelijkheid, maar vooralsnog is er in de Staten-Generaal nog niet over het wetsvoorstel gedebatteerd of gestemd. Tweede Kamer der Staten-Generaal, Wetsvoorstel Wet Regulering Sekswerk, onder ‘Activiteiten’, https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/wetsvoorstellen/, geraadpleegd op 2 oktober 2023.

[6] Autoriteit Persoonsgegevens, ‘Advies ver wetsvoorstel gemeentelijk toezicht seksbedrijven’, 23 mei 2023.

[7] Autoriteit Persoonsgegevens, ‘Advies ver wetsvoorstel gemeentelijk toezicht seksbedrijven’, 23 mei 2023, p. 5.

[8] Kamerstukken II 2021/22, 35715, nr. 3, p. 2. 

[9] UN General Assembly, Protocol to Prevent, Suppress and Punish Trafficking in Persons, Especially Women and Children, Supplementing the United Nations Convention against Transnational Organized Crime, 15 november 2000; Raad van Europa, Council of Europe Convention on Action Against Trafficking in Human Beings, 16 mei 2005, CETS 197; Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad, 5 april 2011 (PbEU, 2011, L101/1); Richtlijn 2004/81/EG van de Raad betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie, 29 april 2004 (PbEU 2004, L 261/19); artikel 4 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

[10] Het zij onder voorwaarden; Brochure Rijksoverheid, Werken in de prostitutie in Nederland – wie mag wat wanneer?, 20 maart 2015. Zie ook de verschillende Algemene Plaatselijke Verordeningen per gemeente in Nederland.

[11] Kamerstukken II 2021/22, 35715, nr. 3, p. 17, p. 19-22. Zie over deze botsing verder onder meer: Advies Raad van State, wetsvoorstel Wet regulering sekswerk, 27 januari 2021; C. Post, M. Vols, J. Brouwer, ‘Registratie van prostituees en het recht op privacy’, NTM-NJCMBull. 2019/17, p. 299-302; M. Weijers, ‘Registratieplicht sekswerkers heeft een averechts effect’, Volkskrant 22 oktober 2019.

[12] Wet van 28 oktober 1999 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, enige andere wetboeken en enige wetten (opheffing algemeen bordeelverbod), 9 november 1999, inwerkingtreding 18 januari 2000.

[13] Wet van 28 oktober 1999 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, enige andere wetboeken en enige wetten (opheffing algemeen bordeelverbod), 9 november 1999, artikel 1, p. 1.

[14] Kamerstukken II 1996/97, 25437, nr. 3, p. 1. 

[15] De bevoegdheid voor gemeenten om dit ieder voor zich vast te stellen, bestaat op grond van artikel 151a Gemeentewet.

[16] S. Flight, e.a., ‘Evaluatie opheffing bordeelverbod: gemeentelijk beleid’, DSP-groep, 2006, tabel 2.2, p. 24.

[17] S. Flight, e.a., ‘Evaluatie opheffing bordeelverbod: gemeentelijk beleid’, DSP-groep, 2006, p. 30 en p. 55.

[18] S. Flight, e.a., ‘Evaluatie opheffing bordeelverbod: gemeentelijk beleid’, DSP-groep, 2006, p. 32-32.

[19] Utrecht en Hilversum hebben aangekondigd thuiswerken toe te gaan staan. In Assen, Tilburg en Lelystad is dat al toegestaan. Gemeente Utrecht, ‘Nieuwsbericht gemeente Utrecht’, 2 juni 2023. Gemeente Hilversum, ‘Sekswerkbeleid: branche transparanter maken’, 6 juli 2023. Artikel 94 APV Tilburg, artikel 3:2 APV Assen, artikel 3:3 APV Lelystad.

[20] J. Snippe, I. Schoonbeek, C. Boxum, ‘Onderzoek maatschappelijke positite sekswerkers’, WODC, juli 2018. R. Zuidema, M.C.M. Aerts & K. Boonstra, ‘Arbeidsrecht voor prostituees. De (on)mogelijkheid van toepassing van het arbeidsrecht op arbeidsverhoudingen in de prostitutiebranche’, Amsterdam: Hugo Sinzheimer Instituut 2006.

[21] R. Zuidema, M.C.M. Aerts & K. Boonstra, ‘Arbeidsrecht voor prostituees. De (on)mogelijkheid van toepassing van het arbeidsrecht op arbeidsverhoudingen in de prostitutiebranche’, Amsterdam: Hugo Sinzheimer Instituut 2006.

[22] Zoals bijvoorbeeld het de facto-verbod op thuiswerken in veel gemeenten, in combinatie met de voorwaarden en beperkingen die voor sekswerkplekken gelden. Dit biedt sekswerkers vaak geen eerlijke kans op een veilige werkplek. Dat beperkt het recht van sekswerkers op veilige arbeidsomstandigheden.

[23] Kamerstukken II 2021/22, 35715, nr. 3, p. 2.

[24] UN General Assembly, Protocol to Prevent, Suppress and Punish Trafficking in Persons, Especially Women and Children, Supplementing the United Nations Convention against Transnational Organized Crime, 15 november 2000.

[25] Richtlijn 2004/81/EG van de Raad betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie, 29 april 2004 (PbEU 2004, L 261/19).

[26] Raad van Europa, Council of Europe Convention on Action Against Trafficking in Human Beings, 16 mei 2005, CETS 197.

[27] Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad, 5 april 2011 (PbEU, 2011, L101/1).

[28] Blijkt uit eigen verricht onderzoek naar de vijf bovengenoemde documenten.

[29] Artikel 3 van het Palermo Protocol.

[30] United Nations Treaty Collection, Palermo Protocol status van 2 oktober 2023, treaties.un.org, geraadpleegd op 2 oktober 2023.

[31] Artikel 2-6 van Richtlijn 2011/36/EU en artikel 4 en artikelen 18-26 van het Verdrag van Warschau.

[32] Zie artikel 18 Richtlijn 2011/36/EU, artikel 6 Verdrag van Warschau, artikel 9 Palermo Protocol.

[33] Idem.

[34] Artikelen 10-13 Palermo Protocol, artikel 10 en artikel 20 Richtlijn 2011/36/EU, artikel 16 en artikel 31-35 Verdrag van Warschau. 

[35] EHRM, Siliadin vs. Frankrijk, 26juli 2005 jo. M.C. vs. Bulgarije, §153.

[36] EHRM, Siliadin vs. Frankrijk, 26 juli 2005 en EHRM, Rantsev vs. Cyprus en Rusland, 7 januari 2010.

[37] EHRM, Siliadin vs. Frankrijk, 26juli 2005, §153 jo. EHRM, Rantsev vs. Cyprus en Rusland, 7 januari 2010, §287.

[38] EHRM, Rantsev vs. Cyprus en Rusland, 7 januari 2010, §287.

[39] Artikel 12 Verdrag van Warschau, artikelen 11-17 Richtlijn 2011/36/EU, artikel 6 Palermo Protocol.

[40] Artikel 11 Verdrag van Warschau.

[41] Ditmore, M., Wijers, M. (2003) The negotiations on the UN protocol on trafficking in persons. Nemesis 2003, nr. 4, p. 80.

[42] Ditmore, M., Wijers, M. (2003) The negotiations on the UN protocol on trafficking in persons. Nemesis 2003, nr. 4, p. 81.

[43] Idem.

[44] Ditmore, M., Wijers, M. (2003) The negotiations on the UN protocol on trafficking in persons. Nemesis 2003, nr. 4, p. 79-88. Wijers, M. (2018) Purity, Victimhood and Agency: Fifteen years of the UN Trafficking Protocol. Anti-Trafficking Review, issue 4, 2015, p. 56—79.

Door

EXPERTISEGEBIED: