De bevoegdheden ter onmiddellijke handhaving van de openbare orde waar de burgemeester over beschikt in de artikelen 172 lid 2 en lid 3, artikel 174 lid 2 en artikel 175 van de Gemeentewet, vertonen gelijkenis met zijn algemene bestuursdwangbevoegdheid. Bij beide soorten handhaving is sprake van een bevel of een last die op fysieke wijze geëffectueerd wordt. Opvallend is dat er bij het op onmiddellijke wijze handhaven van de openbare orde een juridiseringstrend is te ontwaren; noodbevelen bijvoorbeeld afgekondigd vóór een voetbalwedstrijd, een demonstratie of een evenement worden bijna standaard op schrift gesteld. Net als bij de last onder bestuursdwang heeft een dergelijk bevel zich daarmee ontwikkeld tot een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.[EXPAND Lees verder]
Burgemeesters proberen daarbij soms geforceerd te voldoen aan de eisen die horen bij een regulier Awb-besluit. Het proefschrift gaat tegen deze achtergrond in op artikel 5:23 Awb, een bepaling waarmee de wetgever daadkrachtig en snel optreden ter handhaving van de openbare orde wil verzekeren. De reikwijdte van dit artikel is in een nieuw licht komen te staan omdat ordeverstoringen inmiddels vrijwel altijd gepaard gaan met het overtreden van wettelijke voorschriften en de burgemeester daarmee in een toenemend aantal gevallen over een bestuursdwangbevoegdheid beschikt.

De onmiddellijke handhaving van de openbare orde en de last onder bestuursdwang zijn met het onderzoek in historisch perspectief geplaatst en met elkaar vergeleken. Er is een aantal wezenlijke verschillen. Zo kan de burgemeester met een last onder bestuursdwang alleen bestaande wettelijke normen handhaven en geen nieuwe verplichtingen doen ontstaan. Daar staat tegenover dat na toepassing van bestuursdwang in beginsel de kosten kunnen worden verhaald; dit is na fysiek ingrijpen op basis van een onmiddellijke ordebevoegdheid niet mogelijk. Bij onmiddellijke ordehandhaving creëert de burgemeester echter wel nieuwe, weliswaar tijdelijke, verplichtingen.

Daarnaast wordt ingegaan op de verschillende situaties waarin artikel 5:23 Awb al dan niet van toepassing is. Als er (bijna) geen tijd is om een onmiddellijk ordebevel op schrift te stellen, kan gebruik worden gemaakt van deze bepaling:  burgemeesters en politieambtenaren mogen dan ‘besluitloos’ handelen om de openbare orde op onmiddellijke wijze te herstellen. De onmiddellijke ordebevoegdheden zijn echter ook inzetbaar bij een concrete en actuele dreiging. De trend tot juridisering in dit soort situaties brengt voor de burger belangrijke voordelen met zich mee in sfeer van rechtszekerheid en rechtsbescherming. Een beslissing op basis van een bevoegdheid ter onmiddellijke handhaving van de openbare orde in de Gemeentewet dient dan ook vooraf op schrift te worden gesteld en aan de betrokkenen te worden uitgereikt, tenzij dwingende omstandigheden dit onmogelijk maken.

Tot slot is onderzocht in hoeverre beide soorten handhaving gecombineerd kunnen worden. Het stapelen van een mondeling onmiddellijke ordebevel met bestuursdwang is niet nodig en in sommige gevallen zelfs onrechtmatig. De bestuursdwanggrondslag zou bij het afdwingen van de naleving van een onmiddellijk ordebesluit, alleen uitkomst kunnen bieden doordat die de deur opent voor de inzet van de last onder dwangsom. Bij een last onder dwangsom is immers geen sprake van een opeenstapeling van mogelijkheden tot fysiek handelen.

Zie hier voor het proefschrift van dr. mr. L.D. Ruigrok.
[/EXPAND]