J.G. Brouwer en B. Roorda

‘Nederland buigt voor de nieuwste aanval van Turkije op Europese democratische vrijheden’, kopte een veel gelezen ochtendkracht vorige week. Gedoeld wordt op hoe president Erdogan van Turkije opnieuw de vrijheid van meningsuiting aan banden legt door een Nederlandse journaliste te arresteren.

Vrijheid van meningsuiting is al eeuwenlang een groot goed in de Nederlandse rechtstaat. De woorden ‘Niemand heeft voorafgaand verlof nodig voor het openbaren van gedachten en gevoelens’ vormen een prominent onderdeel van artikel 7 Grondwet. Het gaat om niets meer en niets minder dan een censuurverbod.

Dit betekent dat de overheid vooraf geen invloed mag uitoefenen op de inhoud van een boodschap, laat staan die verbieden. Pas achteraf kan iemand door het Openbaar Ministerie ter verantwoording worden geroepen als het om een strafbare meningsuiting gaat. Dat optreden wordt gelegitimeerd door de democratisch vastgestelde wet. Daarin heeft de wetgever een beperking aangebracht op de vrijheid van het woord die wij met zijn allen hebben goedgekeurd.

Een andere mogelijkheid is dat dat de burgemeester de vrijheid van meningsuiting beperkt. Dat kan hij echter – juist in verband met het censuurverbod – nooit op inhoudelijke gronden doen. Niet vooraf, niet tijdens en niet achteraf. Hij kan uitsluitend en alleen het brengen van een boodschap verbieden, indien er wanordelijkheden uitbreken of indien de burgemeester vreest dat dit gaat gebeuren.
Die vrees moet de burgemeester dan wel zwaar motiveren en aantonen dat hij niet over voldoende politie beschikt om de uiting doorgang te laten vinden. Anders zou die angst alsnog een goedkoop smoesje van de burgemeester kunnen zijn om onwelgevallige meningen vooraf te verbieden.

Niettemin gebeurt het met de regelmaat van de klok dat burgemeesters dit rechtstatelijke uitgangspunt aan hun laars lappen. Recentelijk nog legde een burgemeester een spreekverbod op aan zeven imams op inhoudelijke gronden. En beëindigde een andere burgemeester een optreden van vier rechts-extremistische bands in een ontmoetingscentrum met als argument dat het gedachtegoed de meerderheid van de inwoners van zijn gemeente niet aanstond.

Dit lijstje valt moeiteloos uit te breiden. Ook met voorbeelden waarin de burgemeester de vrijheid om te demonstreren beknot, waarvoor in beginsel dezelfde uitgangspunten gelden in ons recht. De burgemeester van onze hoofdstad stelde eind februari bijvoorbeeld een preventief verbod op het tonen van het hakenkruis tijdens een demonstratie, ook al wilden de demonstranten het symbool weergeven op een wijze waarmee zij aangaven zich te distantiëren van het nazisme . Het zou aanstootgevend zijn volgens de burgemeester. Mocht het al om een strafbaar feit gaan – quod non – dan kan het Openbaar Ministerie hiertegen tijdens of achteraf optreden. De burgemeester is hiertoe echter niet bevoegd.

Ook komt het tegenwoordig voor dat een burgemeester een demonstratie integraal verbiedt vanwege de inhoud. Vaak door middel van een noodbevel. We zien dit de laatste tijd nog wel eens in verband met een aangekondigd protest tegen de komst van een AZC. Formeel heet het dan dat de betoging niet is aangemeld bij de burgemeester, maar dat kan gezien internationale rechtspraak geen reden zijn voor een verbod.

Van een kritische houding in de pers valt meestal weinig te merken. De reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting mag echter niet afhangen van de inhoud van de boodschap. Dat is nu juist de essentie van die vrijheid van meningsuiting.