In een uitspraak van 19 december 2014 verklaart de Utrechtse bestuursrechter de Hilversumse vuurwerkverordening onverbindend. In die verordening kent de gemeenteraad aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid toe om een gebied aan te wijzen waarin het afsteken van vuurwerk is verboden. De bepaling staat in Hoofdstuk van de Algemene plaatselijke verordening onder de titel Openbare orde.
Volgens de rechter had de raad de bevoegdheid aan de burgemeester moeten toekennen en niet aan het college. Dat volgt naar zijn oordeel uit art. 172 lid 1 Gemeentewet. Dat artikel belast de burgemeester met de handhaving van de openbare orde.
Rechters in het algemeen lezen evenwel in art. 172 lid 1 Gemeentewet een veel te ruime taakomschrijving. Zij veronderstellen dat zo gauw de openbare orde in het geding is, de burgemeester het bevoegde bestuursorgaan dient te zijn. Die veronderstelling is echter onjuist.
De burgemeester wordt in die bepaling slechts belast met de handhaving van de openbare orde voor zover die plaatsvindt door de politie. De burgemeester is immers het hoofd van de politie als het gaat om de handhaving van de openbare orde. Bewust koos de wetgever voor een eenhoofdig bestuursorgaan, want niet zelden is er spoed geboden met deze feitelijke wijze van handhaving.
Gaat het om een andere wijze van handhaving van de openbare orde, dan kan de hoofdregel van de Gemeentewet worden toegepast volgens welke het college van burgemeester en wethouders het bevoegde bestuursorgaan is. In de Hilversumse casus betreft het een bevoegdheid om een gebied aan te wijzen waar een vuurwerkverbod geldt. Een dergelijk besluit interfereert op geen enkele wijze met de relatie tussen de politie en de burgemeester.
Wel zal dat verbod moeten worden gehandhaafd door de politie. Die doet dit door surveillance in het kader van de handhaving van de openbare orde. Wordt het verbod overtreden, dan zal de politie het verbod strafrechtelijk handhaven onder leiding van de officier van justitie.
In het driehoeksoverleg zullen burgemeester, officier van justitie en het plaatselijke hoofd van de politie samen bepalen hoeveel agenten er op de aangewezen plek voor surveillance worden ingezet.